In deze thesis onderzocht ik de structuur, functie en evolutionaire adaptaties van eierschalen bij dieren, met een focus op reptielen en wandelende takken vanwege hun grote fenotypische diversiteit. Hoewel deze groepen onafhankelijk gebiomineraliseerde eierschalen ontwikkelden, vertonen ze opvallende gelijkenissen, zoals de aanwezigheid van een organische matrix en vergelijkbare structuren. Tegelijk vonden we aanzienlijke variatie in de organisatie en mate van biomineralisatie, wat de functionele eigenschappen beïnvloedt. Zo bleek de wateropnamecapaciteit (sorptie) deels ecologisch gestuurd: reptielensoorten uit droge omgevingen hadden vaak meer sorptieve eierschalen, terwijl sterk gemineraliseerde eieren deze aanpassing niet nodig hadden. Bij phasmiden, waar embryonale wateropname meestal niet vereist is, waren ondergrondse eieren minder sorptief, mogelijk om microbiële infectie te beperken. Bovengrondse eieren vertoonden daarentegen veel variatie, onder andere gerelateerd aan kleefstoffen of mechanische bescherming. Daarnaast beïnvloedt biomineralisatie ook de mechanische sterkte. Sommige reptieleierschalen toonden een gelaagde breuk, waarbij de vezellaag intact bleef. Op basis hiervan ontwierpen we een keratine-nanovezelmembraan dat reptieleigenschappen nabootst een proof of concept voor duurzame bio-geïnspireerde materialen. Tot slot onderzocht ik de iriserende kleur bij een wandelende takken ei. De kleur werd veroorzaakt door een dunne laag aan de buitenzijde van het ei en roept vragen op over mogelijke functies zoals camouflage of versteviging.
Gerben Debruyn (Wed,) studied this question.